Arrest 29.
terugBoek 25-39 1815
Het HOF van Asissen voor de Provincie Noord Holland Noorderkwartier en de provincie Utrecht te Amsterdam. Gezien hebbende de Akte van beschuldiging ten gevolge van het arrest van het Hoog geregtshof de Verenigde Nederlanden zitteing hebbende in ’t Gravenhage kamer van beschuldiging door den procureur Generaal opgemaakt tegen Jan Josua Beaux oud volgens zijn zeggen 34 jaren, geboren en wonende te Amsterdam, van beroep schoenmaker, lang 5 voet 6 duim hebbende bruin har en wenkbrauwen, blaauwe ogen, ordinaire neus en mond, ronde kin en bleeke coleur. Hendrik bruidegom oud volgens zijn zeggen 38 jaren, geboren en wonende te Amsterdam, van beroep sjouwerman, lang 5 voet en 4 duim, hebbende bruin haar en wenkbrauwen, bruine oogen, dikke neus en bleke coleur, en Charlotte Heinlein oud volgens hare opgaven 28 jaren, geboren en wonende te Amsterdam, van beroep werkster, lang 5 voet en 1 duim hebbende ligt bruin haar en wenkbrauwen, blaauwe ogen, spitse neus, grote mond, ronde kin en bleeke coleur. Bij het voornoemde arrest naar dit Hof van Assisen verwezen om door hetzelfde te worden teregt gesteld, houdende deze akte van beschuldiging.
*Daar Jan Josua Beaux, Hendrik Bruidegom en Charlotte Heinlein worden beschuldigd van zich allen in de maand July 1814 te amsterdam te hebben schuldig gemaakt aan diefstal van verscheidene klederen, door meer dan een persoon in een bewoond huis door middel van inklimming gepleegd. En zulks Jan Josua Beaux en Hendrik Bruidegom na reeds eenmaal wegens misdaad tot affectieve en infamriade straffen te zijn gestrafd geweest en also tevens van herhaling van misdaad*
Wordende Charlotte Heinlein, zoo zij al bij den vroege voornoemd gepleegde diefstal zelve niet is tegenwoordig geweest dan in alle gevallen beschuldigd.
*Dan zich aan dezelven diefstal te hebben medepligtig gemaakt door gedeelte in hare woning verbergen van de gestolen goederen wetende dat zij gestolen waren*
Gehoord de mondelingen getuige door de Procureur Generaal tot beschuldig verklaring van de beschuldigden aan de misdaad hun ten laste gelegd mitsgaarder tot condemnatie(veroordeling)
Van dezelve in de straffen daarop bij de wet bepaald, zijnde het zelve requisitor (vordering) van den volgende inhoud.
De procureur Generaal gezien van het Hoog Geregtshof van den 30e maart 1815
Gezien de Akte van beschuldiging ten gevolge van dat arrest opgemaakt.
Gehoord de ?degoudaire batten? In de teregtzitteing op heden,
Gezien de betrekking tot alle drie beschuldigden art: 384 in verband met art: 381no.4 van het Wetboek van Strafregt en speciaal met betrekking tot de derde beschuldigde in dese art:59, 60 en 62 van dat wetboek.
Gezien met betrekking tot Jean Josua Beaux de dententie van Hare Schepene der stad Amsterdam avn den vierde july 1805 gepronnatieerd en aan den gecondemineerde geaccuteerd op den 14e september 1805 waaruit blijkt dat hij schuldig is ter zake aan misdaad, zoo zeer onder de voormalige als thans regeerende wetgeving is gestraft met een lijf en onteerde straf,
Gezien met betrekking tot Hendrik Bruidegom de dententie van Hare Schepene der stad Amsterdam van den 2e mei 1805 geprontieerd en aan de gecondimneerden geaccenteerd de 14e september 1805 waaruit alsmede is consteriade dat hij beschuldigde ter zake van misdaad, zoo ter onder de voormalige als thans regeerende wetgeving is gestrafd met eene lijfstraf en onteerende straf.
Gerecaard: 56 van het wetboek van strafregt 4e alinea luidende.
Gezien met betrekking tot de twee eerst genoemde beschuldigden de art:20, 22, 26, en 36 van het wetboek van strafregt en ten opzichte van den derde beschuldigde de art: 19, 22, 26 en 36 van dat wetboek
Gezien met betrekking tot alle drie de beschuldigden de art: 366 en 368 van het criminele regtspleging
Gezien de publicatie van Z.K.H. van den 11e December 1813 en wel bepaald de art:3, 7, 9 en 11 luidende zoo requireert de Procureur generaal dat de drie beschuldigd in dezen zullen worden gecondemneerd en wel Jean Josua Beaux en HendrikBruidegom tot de straffe van confinement in een rasp- tugt- of werkhuis een ieder hunner voor de tijd van vijftien agtereen opvolgende jaren. Nadat dezelve bevorens op een der openbare plaats alhier in Amsterdam openlijk op een schavot een ieder hunne zal zijn gegeseld met een strop om den hals aan de galg vast gemaakt en voorts op de regterschouder gebrandmerkt met de letters T.P. ((travaux fircis a perpituitte) dwangarbeid voor eeuwig). En dat Charlotte Heinlein bij arrest van dat zelfde Hof zal worden gecondemneerd tot de straffe van confinement in een rasp-tigt- of werkhuis voor de tijd die het Hof zal gelieven te bepalen overeenkomsyig de voorschriften van de wet. Nadat zij bevorens op eene der openbare plaatsten alhier te Amsterdam openlijk op een scavot zal worden gegeseld, Dat de tijd van hun Confinement zal worden gerekend te zijn ingegaan met de dag waarop het arrest kragt van gewijsde zaak zal verkregen hebben, Dat het hof zal gelieve te ordeneeren dat de gestolen goederen de regter eigenaren zal ten worden gerestitueerd voor zo verre dezelve in inducio zijn geënhideerd. Dat van dat arrest van vorderingen. Extracten zullen geformeerd en aangeplakt ten bedrage van een behoorlijk getal exemplaren in de stad Amsterdam. En dat eindelijk het Hof zal gelieve te condemneren in de kosten van het proces ten baate van de Staat. Gelet op de verdedeiging door of van wegens de beschuldiging gedaan. Alle formaliteiten bij de wet voorgeschreven voor zoo verre dezelve alsnog in aburnatie zijn in acht genomen zijnde. Het Hof verklaard Jan Josua Beaux en Hendrik bruidegom schuldig van beide in de maand july 1814 te Amsterdam te hebben gepleegde diefstal van Kleederen door meer dan een persoon in een bewoond huis door middel van in klimming en zullen na reeds eenmaal misdaad tot affectieve en ifamerende straffen te zijn gestraft geweest en alsoo aan herhaling van misdaad. Verklaard dat Charlotte Heinlein zo zij al bij den in voornoemde gepleegde diefstal zelve niet is tegenwoordig geweest, dan in alle gevallen zich aan dezelve diefstal medepligtog gemaalkt door het gedeeltelijk in hare woning te verbergen van de gestolen goederen wetende dat zij gestolen waren. Gezien ten aanzien der beide eersten beschuldigden art: 384 in verband met art:381 no.4 art; 56, 22 en 20 van het wetboek van strafregt mitsgaarders art:7 der publicatie van Z.K.h. den Souvereine Vorst dr verenigde nederlanden de dato 11 december 1813 luidende. Condemneerd hun alsoo schuldig verklaarden Jan Josua Beaux en hendrik bruidegom om te zullen worden gebragt ter plaatsen, alwaar men gewoon is voor het Hof executie van criminele Justitie te doen en aldaar op een schavot ieder met een strop im de hals aan de galg vast gemaakt met een roede strengelijk gegeseld en voorts met een heet ijzer op den regterschouder gebrandmerkt te worden met de letters T P
Condemneerd haar alsoo schuldig immers medepligtig verklaard Charlotte Heinlein om te worden gebragt ter plaatsen alwaar men gewoon is voor dit Hof Executie van criminele justitie te doen en aldaar op een schavot gedurende een uur te pronk gesteld met een papier boven haar hoofd waarin hare misdaad zal zijn uitgedrukt,
Cinfiment voorts Jan Josua Beuax en hendrik bruidegom ieder voor den tijd van 20 agtereenvolgende jare in een rasp- tugthuis en Charlotte heinlein voor den tijd van 8 jare in een tugthuis binnen het ressort van het Hooggeregtshof der Verenigde Nederlanden om aldaar door hunne arbeid hun onderhoud te gewinnen, zullende deze Cinfinimenten gerekend worden te zijn ingegaan met den dag waarop dit arrest kragt van gewijsde zaak zal hebben gekregen.
Condemneerd hun lieden voorts ieder voor het geheel in de kosten der procedures ten behoeven van de staat. Ordonneert dat extract van dit arrest zal worden gedrukt en aangeplakt alhier in Amsterdam. En gelet eindelijk dat de gestolen goederen voor zoo ver die aanwezig zijn aan de eigenaar dezelve worden terug gegeven.
Gedaan en gewezen bij het Hof van Assisen voornoemd de elfde Mey 1815
Present de Heeren: Mrs. J, Schoneck president
S, van der Meulen
A.A. van der march
A.A. van Iddelinge
J. van Colien
Leden van hetzelve Hof die deze met een benevens dan hun fungeerende Griffier
hebben ondertekend. J.C.Farret